We moeten diep graven in de herinneringsbeelden van de mensheid, wanneer we bij de oorsprong willen komen van wat we de levensboom noemen. De boom deze levens vormt het begin en het einde van de aarde-ontwikkeling. Daartussen vinden we hem nauwelijks in de herinneringsbeelden van de mensheid. Hij is bijna spoorloos verdwenen. Alleen sprookjes herinneren ons af en toe aan deze levensboom.

In Genesis, aan het begin van de schepping, wordt de boom des levens beschreven. Hij is niet alleen om naar te kijke, maar ook om van te eten. De mens is dan nog in een paradijselijke toestand van onschuld, ononderbroken gevoed door de levensboom.
Dat zijn geen gewone levenskrachten, maar wat men noemde eeuwig leven.
Na de zondeval is deze levensboom niet meer ‘binnen handbereik’. Hij is zelfs ontoegankelijk geworden, afgegrensd door een muur van vuur. Cherubijnen met het vlammende zwaard  bewaken de boom, nadat de mens van de andere boomvrucht, van de boom van goed en kwaad, gegeten heeft. De dood doet daarmaa zijn intrede.
Van beide bomen, zowel van de levensboom, als van de boom van kennis van goed en kwaad, dragen we sinsdien iets in ons.
In oude mythen die de schepping beschrijven is dat hier en daar herkenbaar. De Edda noemt het eerste mensenpaar Ask en Embla, dat betekent: es en olm.
nu nog dragen we iets van de herinnering van deze tewee boemen als een restant , als een rudiment in ons.

Rudolf Steiner noemt ons zenuwstelsel het verschrompelde product van deze oorspronkelijke boom van kennis  geworteld in ons hoofd, heeft zijn stam in het ruggenmerg en zijn vertakkingen verspreid door het gehele lichaam.
Dagelijks  ‘eten’ we van deze boom van kennis en moeten stukje bij beetje sterven. Anderzijds dragen we een rest, een herinnering aan de boom des levens in ons, in dat ontoegankelijke zenuwstelsel, dat niet aan onze wil  gehoorzaamt: het zg. vegatieve of autonome zenuw stelsel.
Het regelt onze levensverrichtingen: de spijs vertering, functie van het hart, bloedsomloop, etc.
En toch zijn er vanouds enkele verborgen wegen naar de levensboom. De poort is niet onherroepelijk gesloten. Weliswaar kunnen we van deze boom niet meer eten, maar we kunnen er naar kijken en er iets van herkennen.
Te allen tijde hebben mensen aan bomen beleefd dat ze een toegangspoort kunnen vormen tot de geestelijke wereld. De oude culturen kenden hun boomrituelen, kenden bomen als zetels van boomgeesten, als plaatsen waar rechtszittingen en cultus werden voltrokken, als natuurheiligdommen.
Abraham reist van boom tot boom, van de eik Sichem naar de eiken van Mamre en verder naar de zelf geplante boom in Berseba. En op deze plaatsen heeft hij ontmoetingen met de geestelijke wereld. In de oudheid herkende men met het vermogen van de oude helderziendheid heilige bomen, ingehuld in een wolk van levenskrachten, als toegangspoort tot de geestelijke wereld.
Enkele bijzondere bomen waren plaatsen waar de sterfelijke, stoffelijke mens binnenkeek in een onsterfelijke, geestelijke wereld. Ja waar deze mens zelfs  herboren werd, als hij tevens bereid was om te sterven. Iets van het raadsel van deze levensboom wordt herkenbaar. In het werk dat Albert Steffen in de vorige eeuw schrijft met als titel: ‘Pilgerfahrt zum Lebensbaum’, (Pelgrimstocht naar de levensboom). Deze levensboom kan alleen gevonden worden door de dood. Albert Steffen verwoordt het als volgt: ‘Ik zocht de levensboom, maar ik vond het kruis.’

Behalve de levensboom en de boom van goed en kwaad is er nog een derde boom die in de Bijbel een cruciale rol speelt. Het is nauwelijks te herkennen dat het een boom is: het kruishout

Enkele oude afbeeldingen laten het kruis zien als de gemetamorfoseerde levensboom. Begeleidende teksten zeggen: Crux Christi est lignum vitea: het kruis van Christus is het levenshout.
Letterlijk zegt het apocratiefe verhaal dat uit het zaad van de levensboom, door Seth uit het paradijs gehaald, het kruis gemaakt wordt. (Sagen der Juden)

Het heeft geen zin om voor de levensboom alleen maar terug te kijken naar het verloren paradijs. Voor ons is de levensboom pas toegankelijk wanneer we in een onorthodoxe zin van het woord  Christenen worden. Wanneer we bereid zijn om te leven met de dood – om met een ongebruikelijk woord – bereid zijn bestervenissen door te maken en niet alleen belevenissen.

De dichter Albert Steffen heeft deze ervaring met de nieuwe levensboom, met die van het kruishout, op een unieke, volstrekt eigen wijze verwoord in het gedicht: ‘Lass uns die Baume lieben’.
Een Nederlandse bewerking zou aldus kunnen luiden:

Laat ons de bomen beminnen,
de bomen doen ons goed
in al hun groene twijgen
stroomt God zijn levensbloed.
Eens wilde het hout verharden
toen hing Christus er aan,
dat wij ons zouden laven
een eeuwig leven brak aan.

Bastiaan Baan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *