Koning Lijsterbaard

Een koning had een dochter die buitengewoon mooi was, maar ook zó trots en hoogmoedig dat ze geen enkele vrijer goed genoeg vond. De ene na de andere wees ze af, en dan dreef ze ook nog de spot met hen.

Op een keer liet de koning een groot feest geven en hij nodigde van heinde en verre alle trouwlustige mannen uit. Ze werden allemaal naar rang en stand op een rij gezet: eerst kwamen de koningen, dan de hertogen, de prinsen, graven en baronnen, en ten slotte de jonkers. De koningsdochter werd langs de rijen geleid, maar op iedereen had ze iets aan te merken. De een was haar te dik: ‘Net een wijnvat’ vond ze. De ander was te lang: ‘Dun en lang, waggelgang. ‘ De derde te klein: ‘Kort van stuk, geen geluk’ De vierde te bleek: ‘Bleke dood’ De vijfde te rood: ‘Kalkoense haan’ De zesde was niet recht genoeg: ‘Groen hout, achter de kachel gedroogd’. En zo had ze op iedereen iets aan te merken, maar ze spotte vooral met een goede koning die helemaal vooraan stond en die een wat kromme kin had. ‘Ha’ riep ze lachend, ‘die heeft een kin als de snavel van een lijster’ en vanaf dat moment werd hij Lijsterbaard genoemd.

Maar toen de oude koning zag dat zijn dochter de mensen alleen maar bespotte en alle vrijers versmaadde die daar bijeen waren, ontstak hij in toorn en hij zwoer dat zij de eerste de beste bedelaar die aan de deur kwam, tot man moest nemen.

Een paar dagen later kwam er een speelman onder het raam zingen om een kleine aalmoes te verdienen. Toen de koning het hoorde, sprak hij: ‘Laat hem bovenkomen.’
De speelman kwam binnen in zijn vuile, gerafelde kleren, zong voor de koning en zijn dochter en vroeg toen hij klaar was om een milde gave. De koning sprak: ‘Ik vond je gezang zo mooi dat ik je mijn dochter hier tot vrouw zal geven.’ De koningsdochter schrok, maar de koning zei: ‘Ik heb gezworen dat ik je aan de eerste de beste bedelaar zou geven en daar houd ik me aan.’ Protesteren hielp niet, de priester werd gehaald en zij moest meteen met de speelman trouwen. Toen het huwelijk was ingezegend, zei de koning: ‘Het is niet gepast dat jij als bedelvrouw nog langer in mijn paleis blijft; je moet weggaan met je man.’

De bedelaar nam haar bij de hand mee naar buiten en ze moest te voet met hem vertrekken. Toen ze in een groot bos kwamen, vroeg zij:

‘Van wie mag dit mooie bos wel zijn?’
‘Dat is koning Lijsterbaards domein.

Had je die nu maar genomen,

dan was het in jouw bezit gekomen.’
‘Ach, wat heb ik een berouw,

was ik maar koning Lijsterbaards vrouw.’

Daarop kwamen ze over een weide en zij vroeg weer:

              ‘Van wie mag die groene wei wel zijn?’
‘Dat is koning Lijsterbaards domein.
Had je die nu maar genomen,
              dan was hij in jouw bezit gekomen.’
’Ach, wat heb ik een berouw,
was ik maar koning Lijsterbaards vrouw.’

Daarna kwamen ze door een grote stad en zij vroeg weer:

              ‘Van wie mag die grote stad wel zijn?’
‘Dat is koning Lijsterbaards domein.
Had je die nu maar genomen,
dan was hij in jouw bezit gekomen.’

‘Ach, wat heb ik een berouw,
was ik maar koning Lijsterbaards vrouw.’

‘Het bevalt mij helemaal niet dat je steeds maar een ander als man wilt hebben’, zei de speelman. ‘Ben ik soms niet goed genoeg?’
Ten slotte kwamen ze bij een heel klein huisje en zij sprak:

               ‘O God, wat is dat huisje klein,
van wie mag dit schamele huisje wel zijn?’

De speelman antwoordde: ‘Dat huis is van mij en jou, hier gaan we samen wonen’.
Ze moest bukken om door de lage deur naar binnen te komen. ‘Waar zijn de bedienden?’ vroeg de koningsdochter. ‘Welke bedienden?’ vroeg de bedelaar. ‘Wat je gedaan wilt heb je zelf moeten doen. Ga maar gauw vuur maken en zet water op om eten voor me te koken. Ik ben doodmoe.’Maar de koningsdochter wist helemaal niet hoe ze vuur moest maken en eten moest koken en de bedelaar moest zelf meehelpen zodat er toch nog iets van terechtkwam.Toen ze het karige maal op hadden, gingen ze slapen. Maar ’s morgens joeg hij haar al heel vroeg het bed uit omdat ze het huishouden moest doen.

Op deze manier leefden ze een paar dagen zo goeden zo kwaad als het ging en ze raakten door hun voorraad heen. Toen zei de man ‘Vrouw’, zo gaat het niet langer. ‘We maken alles op en verdienen niets. Jij moet manden gaan vlechten.’ Hij ging naar buiten en sneed wilgentenen en nam die mee naar huis. Zij begon te vlechten, maar de wilgentenen verwondden haar tere handen. ‘Ik zie het al, dat gaat niet’, zei de man, ‘Ga maar liever spinnen, misschien kun je dat beter.’ Ze ging zitten en probeerde te spinnen, maar de harde draad sneed al gauw in haar zachte vingers en het bloed droop eraf. ‘Jij deugt voor geen enkel soort werk,’ zei de man, met jou heb ik het wel erg slecht getroffen. Ik ga proberen een handeltje met potten en pannen op te zetten. Dan moet jij maar op de markt gaan zitten om ze te koop aan te bieden.’ O, dacht ze, als er dan op de markt mensen uit het rijk van mijn vader komen en mij daar zien zitten met mijn koopwaar, wat zullen ze mij dan uitlachen! Maar er was niets aan te doen, ze moest zich schikken als ze niet van honger wilde omkomen.

De eerste keer ging het goed, want de mensen kochten graag iets bij de vrouw omdat ze zo mooi was en ze betaalden haar wat ze vroeg. Velen gaven haar zelfs het geld en lieten haar de potten houden. Van deze verdiensten leefden ze zolang het duurde en toen kocht de man weer een nieuwe partij aardewerk.

Zij ging op een hoek van de markt zitten en stalde de koopwaar uit om zich heen. Plotseling kwam er een dronken huzaar aan galopperen. Die reed dwars door het aardewerk, zodat alles in duizend scherven viel. Ze begon te huilen en wist van angst niet wat ze moest beginnen. `Ach, wat moet ik nu doen!’ riep ze. ‘Wat zal mijn man hiervan zeggen? Ze rende naar huis en vertelde hem van het ongeluk. ‘Wie gaat er dan ook met aardewerk op de hoek van de markt zittenl’ zei de man. ‘Hou op met huilen, ik zie wel dat je nergens voor deugt. Ik ben in het paleis van onze koning geweest om te vragen of ze geen keukenmeid nodig hebben en ze hebben mij beloofd dat ze je zouden aannemen. Dan krijg je gratis te eten.’

Zo werd de koningsdochter keukenmeid; ze moest de kok helpen en het vuilste werk doen. Ze deed in elk van haar twee zakken een potje, daar stopte ze de restjes in die voor haar overbleven, om ze mee naar huis te nemen als voedsel voor haar en haar man.

Nu gebeurde het dat de bruiloft van de oudste koningszoon gevierd zou worden. De arme vrouw liep de trap op en ging bij de deur van de grote zaal staan om te kijken.
De lampen werden aangestoken en de mensen kwamen binnen, de een nog mooier dan de ander, en alles was vol pracht en praal. Toen dacht ze vol verdriet aan haar lot, en ze verwenste haar trots en haar hoogmoed, die haar hadden vernederd en in zulke grote armoede hadden gestort. Van de kostelijke spijzen die de zaal in en uit werden gedragen en waarvan ze de geur kon ruiken, gooiden dienaren haar af en toe een paar brokjes toe; die deed ze in haar potjes om mee naar huis te nemen.

Plotseling kwam de koningszoon binnen. Hij was in fluweel en zijde gekleed en had gouden kettingen om zijn hals. En toen hij de mooie vrouw bij de deur zag staan, nam hij haar hand om met haar te gaan dansen, maar zij weigerde en schrok, want ze zag dat het koning Lijsterbaard was, die haar hand was komen vragen maar die zij vol spot had afgewezen. Haar tegenstribbelen hielp niets, hij trok haar de zaal in. Daar scheurde de band waaraan de zakken hingen en de potjes vielen eruit zodat de soep over de vloer stroomde en de scherven in het rond sprongen. Toen de mensen dat zagen, begonnen ze allemaal te lachen en te spotten en ze schaamde zich zo dat ze zich wel duizend vadem diep onder de grond wenste. Ze sloeg op de vlucht en vloog de deur uit, maar op de trap haalde iemand haar in en bracht haar terug. En toen ze hem aankeek, zag ze dat het weer koning Lijsterbaard was. Vriendelijk zei hij tegen haar: ‘Vrees niet: ik en de speelman die met je in dat huisje heeft gewoond, zijn één en dezelfde. Om jou had ik me zo vermomd; en de huzaar die je potten aan diggelen heeft gereden, dat was ik ook. Het is allemaal gebeurd om je trots te buigen en je te straffen voor de hoogmoed waarmee je mij hebt bespot.` Toen huilde ze bittere tranen en zei: ‘Ik had volkomen ongelijk en ben het niet waard je vrouw te zijn.’ Maar hij zei:’Stil maar, de kwade dagen zijn voorbij, we gaan nu onze bruiloft vieren.’ Toen kwamen de kameniers om haar de schitterendste kleren aan te trekken en haar vader kwam en de hele hofhouding en iedereen wenste haar geluk met haar huwelijk met koning Lijsterbaard, en toen begon het feest pas echt.

Ik wou dat jij en ik er ook bij waren geweest.

nl.pinterest.com/biografiek/koning-lijsterbaard-grimm-52/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *