Er waren eens een man en een vrouw, die drie zonen hadden en de jongste heette Askaladden. Zij groeiden samen op in een arm boerengezin.

Niemand verwacht veel van deze Askaladden, en al helemaal niet van zijn oudere broers, Per en Pål.

Toch was Askaladden geen kwade jongen, maar hij was zo lui, dat hij, zolang hij leefde, nog nooit iets anders had uitgevoerd, dan aldoor met een stokje in de as zitten roeren.

 

Nu hij een jongeman geworden was, vonden zijn ouders dat dit niet zo kon blijven en ze stuurden hem naar allerlei bazen om een vak te leren; maar ’t lukt niets! Telkens kwam Askaladden na een paar dagen weer thuis en begon opnieuw in de as te roeren.

Dit ging maar zo door, tot er op een goeie dag een schipper kwam, die hem vroeg of hij zin had om met hem mee naar zee te gaan en allerlei vreemde landen te zien? Ja, daar had Askaladden wel zin in en hij schudde meteen al zijn luiheid van zich af.

 

Hoe lang ze uiteindelijk zeilden, is onbekend, maar wèl weet ik, dat er eindelijk een zware storm kwam opzetten. En toen die storm voorbij was en de zee weer rustig was geworden, wisten de schipper en de stuurman niet meer, waar ze waren; de stormwind had hen naar de kust van een vreemd land gedreven, waar geen van hen ooit geweest was.

 

Omdat ‘t nu zo stil was geworden, dat er zich geen veertje bewoog, moesten ze daar wel blijven liggen tot er weer genoeg wind zou zijn om te zeilen, en nu vroeg Askaladden de schipper, of hij een poosje aan land mocht gaan. — Dat wou hij liever, dan aldoor in zijn kooi te liggen slapen, zoals de andere zeelui.

De schipper keek hem aan en zei: „Maar, Askaladden, vind je nu zelf eigenlijk wel dat je je zo aan vreemde mensen kan laten zien? Je hebt immers geen andere kleren dan de vodden, waarin je gaat en staat!”

Maar dat kon Askaladden niet schelen. Toen gaf de schipper hem permissie om aan land te gaan, maar hij moest beloven, dadelijk aan boord terug te zullen komen, zodra de wind opstak.

En daar liep hij nu heel alleen in het vreemde land! Overal, waar hij kwam, zag hij nu eens lieflijke dalen met vruchtbare akkers en groene weiden, en dan weer schaduwrijke bossen, maar mensen zag hij nergens.

 

Nadat hij een hele poos had rondgezworven, stak opeens de wind op, maar Askaladden vond dat hij nog lang niet genoeg had gezien. Hij werd hoe langer hoe nieuwsgieriger en wilde weten, welke mensen in dit prachtige land woonden .

Hij liet de wind dus maar waaien zonder er zich iets van aan te trekken, en, dwaalde verder door het wilde woud.
Opeens kwam hij op een mooie, brede weg, zo vlak en effen, dat je er wel een ei op kon laten ronddraaien.

 

„Als ik deze weg volg,” zei hij, „dan moet ik wel bij een woning van mensen komen; anders was die niet zo netjes onderhouden.’ ‘  En kijk, juist toen de zon was ondergegaan, ontdekte hij in de verte een groot paleis met helder verlichte vensters.
Intussen had hij de hele dag rondgedwaald zonder iets te eten, en nu voelde hij opeens, hoe vreselijk hongerig hij was.

 

En hoe dichter hij bij het paleis kwam des te meer voelde hij de honger knagen, des te banger werd hij; — want wie kon hem vertellen welk soort van schepsels daar in dat prachtige gebouw woonden? En —  of hij niet misschien de dood tegemoet ging?

Hij wist lange tijd niet, of hij wel of niet het paleis zou binnen gaan. Maar toen hij er omheen liep en de keukendeur wijd open zag staan, dreef de honger hem naar binnen.

In de keuken keek hij verbaasd om zich heen. Want al het kookgerei, dat hij zag, was van zuiver goud en zilver. Er brandde een groot vuur in de haard, maar er was geen mens te zien.
Askaladden wachtte een poosje, of er misschien iemand te voorschijn zou komen, maar toen alles even doodstil bleef als te voren, liep hij naar de eerste de beste deur die in de keuken uitkwam en deed die open. En zie, daar zat in een prachtige zaal een mooie prinses ijverig te spinnen!

„O, wee!’ ‘ riep ze, toen ze hem zag. „Hoe is ‘t mogelijk, dat een christen zich hier durft te vertonen? Ga meteen weg, jongeman en verberg je goed, want hier woont een boze trol met drie koppen!’ ‘„Voor mijn part heeft hij er vier,’ ‘ antwoordde Askaladden, „ik heb echt zin om hem eens te bekijken. Ik denk er echt niet aan om weg te lopen! Waarom zou ik? Ik heb geen mens ooit kwaad gedaan. Maar geef me nu wat te eten, schone jonkvrouw. Ik verga van de honger.’ ‘ Nadat Askaladden genoeg had gegeten, vroeg de prinses of hij het zwaard, dat aan de muur hing, kon hanteren? Hij probeerde het — maar nee, ‘t was te zwaar voor hem! „Wacht maar,’ ‘ zei de prinses, „’t zal waarschijnlijk beter gaan als je eerst een slok uit de veldfles neemt die naast het zwaard hangt. Dat doet de trol ook altijd, en dan krijgt hij reuzenkrachten.’ ‘ Goed, Askaladden nam een flinke teug van de drank die in de fles zat, en toen kon hij het zwaard gemakkelijk optillen en het net zo vaak rondzwaaien, als hij maar wilde. „Ziezo,” riep hij vrolijk, „laat die trol nu maar komen!’ ‘

Op hetzelfde ogenblik hoorden ze een geluid alsof er een orkaan opstak! — Daar had je zowaar de trol al! Askaladden verborg zich vlug achter de deur, en wachtte op het moment waarop hij zijn slag zou kunnen slaan.

„Hoe-oe-toe-oe-toe-oe!” riep de trol, terwijl hij zijn ene kop door de deuropening naar binnen stak, „ik ruik het bloed van een christen!”
„Jawel,’ ‘ zei Askaladden, „en dat zal je merken ook!” En met één slag sloeg hij hem alle drie zijn koppen af.

 

De prinses was zo blij, dat ze eindelijk van het monster verlost was, dat ze begon te dansen en te zingen. Maar opeens hield ze op en riep uit: „O, wat zou ik graag willen, dat mijn beide zusters nu ook verlost werden!’ ‘ „Waar zijn je zusters dan?’ ‘ vroeg Askaladden.
Nu vertelde ze hem, dat de ene door een trol met zes koppen was meegevoerd naar een paleis zes mijlen verder dan dat, waarin ze nu waren.
De andere was geroofd door een nòg gevaarlijker trol — die had maar eventjes negen koppen, en zijn paleis was nog eens negen mijlen verwijderd van dat van den trol met de zes koppen.

„Maar,’ ‘ zei ze, „nu moet je me eerst helpen om het lichaam van dit monster te begraven en de vloer schoon te maken, waarop hij heeft gelegen.”

Goed, dat deed Askaladden heel handig. Hij was nu zo sterk en vlug geworden, dat ‘t geen kwartier duurde, voordat de trol al begraven was met al zijn drie koppen, en ook de vloer gereinigd was. Hij bleef die nacht in dat paleis en de prinses wist niet, wàt ze hem allemaal zou voorzetten van lekker eten en drinken, zo dankbaar was ze hem voor haar redding!

Maar de volgenden morgen ging hij al voor dag en dauw op het pad in de richting, die de prinses hem had aangewezen. Hij liep aldoor rechtuit, rechtaan, zonder een ogenblik stil te staan. Want hij had geen rust, voor hij de andere twee koningsdochters ook zou hebben verlost!

Tegen de avond, toen hij dicht bij het paleis kwam en zag dat dit nog véél groter en mooier was dan het eerste, voelde hij zich wel één ogenblik een beetje angstig, maar al gauw vatte hij moed en stapte de keuken binnen, waarvan ook hier de deur wijd open stond.

Ook nu weer stond hij stom van verbazing toen hij om zich heen keek; want in deze keuken -was nog véél meer zilver en goud te zien, dan in de vorige. Ook hier brandde een groot vuur in den haard, maar geen mens vertoonde zich.

Toen liep Askaladden naar de eerste de beste deur, en opende die. — En jawel, daar zat in een gouden zaal de tweede prinses te spinnen, en ze was heus nòg mooier dan de eerste!
Ook zij schrok, toen ze Askaladden zag.
„O nee, nee,” riep ze uit, „hoe is ‘t mogelijk, dat een christen zich hier durft vertonen? Loop weg, lieve jongen, loop weg, zo hard je kunt en verstop je goed, want hier woont een vreselijke trol met zes koppen!” „En al had hij er nòg zes bij,’ ‘ zei Askaladden, „ik zou tòch niet voor hem op de loop gaan!’ ‘

Maar hij zal je grijpen met zijn klauwen en je met huid en haar verslinden!’ ‘ snikte de prinses. „En ik ga tòch niet weg,’ ‘ zei Askaladden. „Waarom zou ik? Ik heb geen mens ooit kwaad gedaan.’ ‘„Daar vraagt hij niet naar,’ ‘ jammerde de prinses, „wat kan hèm dat schelen? Hij staat buiten de wet; maar als je dan toch hier wilt blijven, probeer dan tenminste eens of je het zwaard, dat daar aan de muur hangt, kunt hanteren.”

„Nee, dàt kon hij niet! Maar de prinses riep hem toe: „Houd moed en drink een slok uit de veldfles, die daar naast het zwaard aan de muur hangt. Dat doet de trol ook altijd voor hij ter strijde trekt en dan krijgt hij reuzenkrachten.

En jawel, nadat Askaladden een flinke slok gedronken had van de drank, die in de fles was, voelde hij zich zo sterk als een reus, en nu kon hij ook dit zware zwaard net zo vaak rondzwaaien, als hij maar wou. Dat trof goed, want daar had je de trol al!
Hij was zo vreselijk groot en breed, dat hij niet anders dan zijdelings door de deur kon binnenkomen.
Kijk, daar stak hij al één van zijn zes hoofden naar binnen en riep uit: ‘Hoe-oe-toe-oe-toe-oe! Ik ruik het bloed van een christen! ‘

Op hetzelfde ogenblik sloeg Askaladden hem zijn eerste hoofd af en daarna de vijf andere, toen hij die één voor één naar binnen stak.
Daar lag nu het monster, en ook deze prinses was zo blij over haar redding, dat ze niet meer wist, op welk been ze moest staan. Maar op eens dacht ook zij aan haar zuster en riep uit: ‘O, ok, wat zou ik graag willen, dat mijn lieve zusters ook verlost waren! ‘

Askaladden vertelde haar nu, dat hij haar oudste zuster al had gered en dat hij zijn best zou doen, ook de jongste te bevrijden. Hij wou dadelijk op weg gaan naar het paleis van de trol met de negen koppen, maar de prinses vroeg hem of hij haar eerst even wou helpen om de trol en zijn zes koppen te begraven, en de vloer schoon te maken.
En toen dat alles gebeurd was, zei ze dat hem niet wou laten gaan voordat hij zou hebben gegeten en geslapen – want hoe zou hij anders kracht genoeg hebben om die vreselijkste van alle trollen te bevechten?

Zo bleef hij dan die nacht in het paleis en at en dronk van het lekkerste en beste, dat de prinses maar kon bedenken in haar grote dankbaarheid.  Daarna wees ze hem een heerlijk donzen bed, en hij sliep totdat de volgenden morgen de sterren begonnen te verbleken.

 

Toen begon hij zijn reis naar het laatste paleis, dat negen mijlen van het andere verwijderd was. Als hij daar nog op diezelfde avond wilde aankomen, dan moest hij af en toe een eind in een drafje lopen. Dat deed hij, en zo bereikte hij dan ook dit paleis juist nadat de zon was ondergegaan.

‘t Was nog veel mooier en groter dan het vorige en geheel met juwelen en andere edelstenen bezet. Askaladden gunde zich echter geen tijd om daar lang naar te kijken, en ook in de prachtige keuken keek hij nauwelijks om zich heen.
Hij dacht er nu geen ogenblik meer aan om bang te zijn, en liep regelrecht naar de deur, waarachter hij de derde prinses dacht te vinden.

En jawel, daar zat ze al in een van diamanten schitterende zaal, even ijverig te spinnen als haar beide zusters! En — ze was nog veel, veel mooier dan die twee! Nooit, nooit had Askaladden gedacht, dat er zo’n mooi en lief meisje op de wereld zou zijn!

Ze kreeg tranen in de ogen, toen ze hem zag wilde ze heel beslist, dat hij zou weggaan en zich zou verstoppen voor de verschrikkelijke trol met negen koppen die hier woonde. Maar Askaladden zei: „En al had hij er nòg negen koppen bij en dan nòg eens negen, dan nòg zou ik er niet aan denken, voor hem op de loop te gaan!’ ‘

„Maar je kent hem niet, jongen,’ ‘ snikte het lieve meisje, „hij is een menseneter en zal je met huid en haar verslinden, zodra hij je in zijn klauwen krijgt! Ach toe, doe mij het plezier en loop weg! Ik zou zo bedroefd zijn als hij je dood maakte!’ ‘ Maar hoe meer ze bad en smeekte, des te liever vond Askaladden haar en des te meer had hij er behoefte aan, haar van haar kwelgeest te verlossen. Hij bleef dus bij zijn plan om met het monster te vechten, en toen de prinses eindelijk inzag, dat er niets aan te doen was, zei ze: „Welnu, als je dan echt niet wilt vluchten, probeer dan eens of je het grote zwaard, dat daar aan de muur naast het zwaard hangt, kunt hanteren.”

Hij probeerde het, maar ‘t was veel en veel te zwaar, nog veel zwaarder dan de twee vorige zwaarden! Maar de prinses wees hem de veldfles aan, die naast het zwaard hing en raadde hem aan, daar een flinke slok uit te drinken. — „Dat doet de trol ook altijd voordat hij ten strijde trekt,” zei ze, „en dan krijgt hij weer reuzenkrachten.” 

En jawel, toen Askaladden uit de fles had gedronken, kon hij het reuzenzwaard rondzwaaien zo vaak hij maar wou.

Daar hoorden ze de trol al aankomen met vervaarlijk geraas! Hij was nog veel groter en breder dan de trol met zes koppen en ook hij kon dus alleen zijdelings door de deur binnenkomen. Daar stak hij al één van zijn koppen naar binnen en riep uit: „Hoe-oe-toe-oe-toe-oe! Ik ruik het bloed van een christen!”
Op hetzelfde ogenblik hakte Askaladden hem het eerste kop af, en daarna de zeven andere koppen, toen hij ze één voor één naar binnen stak.

Maar het laatste kop gaf hem veel moeite. Die zat steviger op de romp dan de andere, en nooit in zijn leven was Askaladden zo vermoeid geweest, — al had hij nu ook reuzenkrachten! — tenslotte viel dan eindelijk ook het negende kop op de grond viel.

Nu duurde ‘t niet lang, of ook de twee andere prinsessen kwamen aangereden en ze waren alle drie zo blij en dankbaar, dat ze niet wisten, wàt te doen om Askaladden te belonen voor alles, wat hij voor hun had gedaan. Hij mocht vrij kiezen, wie van de drie hij het liefst tot vrouw wou hebben, want ze hielden allemaal evenveel van hem. Ook hij vond alle drie de prinsessen heel lief, heel mooi en heel aardig, maar de jongste, die zo geschreid had uit angst dat hij zijn leven zou verliezen, beviel hem toch nòg beter dan de andere twee.

Een tijd lang leefden ze nu gelukkig met elkaar in het prachtige paleis, maar langzamerhand begon Askaladden heel stil en heel treurig te worden. Na enige tijd vroegen de prinsessen hem, wat hem scheelde en of hij dan niet gelukkig was met zijn jonge bruid? „Ja,’ ‘ zei Askaladden, „ik ben heel gelukkig met mijn jonge bruid en we hebben hier het heerlijkste leven, dat ik mij zou kunnen voorstellen, maar kijk, ik heb thuis een vader en een moeder, en mijn verlangen naar die twee oude mensen wordt elke dag groter.
Als ik hen maar eens heel eventjes kon zien en spreken, dan zou ik wel weer opfleuren.’ ‘ „Waarom heb je ons dat niet eerder gezegd?’ ‘riepen de prinsessen uit. „Dat kan best gebeuren!
Als je onze raad maar precies opvolgt, kan je hen zonder gevaar even opzoeken en daarna bij ons terugkomen.’ ‘ Askaladden was heel blij toen hij dit hoorde en wou graag beloven, dat hij naar de raad van zijn bruid en haar zusters zou luisteren en precies doen, wat ze hem zouden zeggen. Goed, toen gaven ze hem een stel prachtige kleren, waarin hij er uitzag als een koningszoon, en zijn bruid stak hem een ring aan de vinger, waarmee hij zich heen en terug kon wensen. „Ziezo,” zei ze, „pas nu maar goed op, dat je deze ring niet verliest èn dat je niet over ons drieën spreekt. Want als je dàt doet, dan is ‘t uit met ons geluk. Dan zullen we elkaar nooit meer zien.”

„Ik wens thuis te zijn bij mijn ouders!’ ‘ zei Askaladden nu, en hij had die woorden nog niet uitgesproken, of hij stond al voor de deur van het oude hutje.

‘t Begon al te schemeren, en toen de goede mensen daar zo’n prachtig gekleed heer zagen binnenkomen, waren ze geheel verbijsterd van schrik. Ze deden niets dan buigingen en strijkages maken, maar konden geen woord uitbrengen.  Askaladden vroeg hen of hij die nacht bij hen zou kunnen blijven, maar daar wilden ze niets van weten!

„Nee, nee,’ ‘ zeiden ze, „dat gaat niet. Een rijk heer zoals u, is aan allerlei dingen gewend, die wij u niet kunnen geven; maar daarginds wonen rijke mensen, die hebben volop van alles. Daar zult u ‘t beter hebben dan bij ons. Ziet u die hoge schoorsteen? Daar wonen ze. ‘t Is heus heel dichtbij.” Maar Askaladden bleef er bij, dat hij veel liever de nacht bij hen wou doorbrengen, dan bij de rijkelui in het mooie herenhuis. „Ach nee,’ ‘ zei zijn moeder, „wij hebben immers geen bed, waar u op zou kunnen liggen — ja, zelfs een fatsoenlijke stoel kunnen we u niet aanbieden, laat staan, dat we u iets zouden kunnen voorzetten, wat u zou lusten. Toe, gaat u liever naar ’t herenhuis!”

Maar wàt ze ook zei, het hielp haar niets. Askaladden beloofde haar uiteindelijk, dat hij dan de volgenden dag naar ‘t herenhuis zou gaan. Maar deze éne nacht wou hij in hun hutje slapen en nergens anders. „Een bed heb ik niet nodig,” zei hij, „ik kan best op dit bankje zitten, hier bij den haard.’ ‘ En hij ging vliegensvlug op zijn oude bankje zitten en begon in de as te roeren, net als vroeger.
Ze praatten nu over ditjes en datjes en Askaladden liet hen van alles vertellen. Op het laatst vroeg hij hen, of ze geen kinderen hadden? „Ja,’ ‘ zei de man, „we hebben wel een zoon gehad, maar die is naar zee gegaan en daarna hebben we nooit weer iets van hem gehoord. We weten niet eens, of hij nog leeft.’ ‘ „Zou ik uw zoon niet kunnen zijn?’ ‘ vroeg Askaladden.

„O nee,” zei de vrouw, terwijl ze opstond, „dat kan onmogelijk! Onze Askaladden was een luilak en een slappeling! Doordat hij altijd maar bij de haard zat en nooit iets uitvoerde, waren zijn ledematen zo slap en krachteloos geworden, dat zijn ene been tegen het andere sloeg als hij opstond. Nee, nooit zou er uit hem zo’n flinke, krachtige man kunnen groeien als u bent.”
Maar even later kwam ze naar de haard om het vuur wat op te porren en toen ze haar gast nog eens goed aankeek bij de helderen gloed van het vuur, herkende ze hem opeens! „Ja, ja, je bent het toch!” riep ze uit. „Jij bent onze Askaladden!”

En de beide ouders waren zo blij, dat ‘t met geen pen te beschrijven was. Nu moest hij alles vertellen wat er met hem gebeurd was. Zijn moeder was zo trots op hem, dat ze beslist naar het herenhuis wilde gaan, om de dochters van de landheer, die hem altijd zo verachtelijk hadden behandeld, nu eens zouden zien wat een grote deftig heer hij geworden was.

Askaladden had daar helemaal geen zin in, maar hij wou zijn moeder graag een plezier doen. En zo gingen ze er samen op uit, de moeder voorop en Askaladden een eindje achter haar aan.

Toen ze de kamer binnenkwam, waar de beide dochters juist bezig waren zich aan te kleden, riep ze meteen: „Zeg, meisjes, onze Askaladden is thuisgekomen en jullie zullen verbaasd zijn als je hem ziet, zo mooi en groot en rijk is hij geworden!” „Ja, dat zal wel zo zijn,’ ‘ spotten de meisjes, en ze gooiden met een gebaar van minachting het hoofd in de nek. — „’t Is natuurlijk nog net zo’n luie slungel als vroeger!” 

Maar op hetzelfde ogenblik kwam Askaladden de kamer binnen, en toen ze die fijn geklede jongeman zagen, liepen de beide meisjes gillend de kamer uit en lieten de kam, waarmee ze juist bezig waren geweest elkaar het haar te kammen, op de schoorsteenmantel liggen.

Even later kwamen ze keurig aangekleed terug, maar ze schaamden zich zo, dat ze Askaladden bijna niet durfden aan te kijken.

Maar Askaladden keek hen wèl aan en nadat hij die twee meisjes eens goed had bekeken, zei hij: „Ja, ja, vroeger dacht ik altijd, dat er geen mooier vrouwen op de hele wereld waren dan jullie; maar o, als jullie de oudste van de drie prinsessen, die ik gered heb, eens konden zien! Bij haar vergeleken zijn jullie maar een stel boerenmeiden. En de tweede prinses is nog mooier! Maar de jongste, met wie ik verloofd ben, die is nòg mooier dan de Zon en de Maan! Ik wou, dat ze hier eens waren, dan zouden jullie het zelf kunnen zien!”

 

Op hetzelfde moment dat hij dat zei, stonden de drie prinsessen naast hem, mooier dan ooit, maar met treurige gezichten. Want ze dachten aan wat ze van de ring hadden gezegd, toen ze die aan Askaladdens hand staken!

 

Op het herenhuis werd nu dadelijk een groot feestmaal aangericht ter ere van de koninklijke gasten, maar de prinsessen wilden niet blijven eten. „We moeten eerst je vader en moeder opzoeken!’ ‘ zeiden ze tegen Askaladden, „en daarna willen we het land graag eens bekijken.’ ‘

Hij ging dadelijk met hun mee en zo kwamen ze langs een groot water, dicht bij de poort van het herenhuis.

Aan de waterkant was een frisse groene helling; daar wilden de prinsessen graag even zitten om uit te rusten. ‘t Was zo’n heerlijk plekje, vonden ze, met dat verre uitzicht over ‘t mooie, stille water.

Nadat ze daar een poosje zonder te praten hadden gezeten, riep de jongste prinses Askaladden bij zich en zei: „Kom een beetje dichter bij me en leg je hoofd op mijn schoot, dan zal ik je haar wat ordenen — het ziet er erg verwilderd uit!’ ‘

 

Askaladden lag met z’n hoofd een poosje rustig in haar schoot, terwijl ze met haar blanke handen zachtjes door zijn haar woelde en hij viel in slaap.

Toen nam de prinses de wensring, die nu geen kracht meer had, van zijn vinger, en schoof er een andere voor in de plaats.

En terwijl ze dat deed, zei ze langzaam en nadrukkelijk: „Blijf altijd van mij houden, zoals ook ik jou liefheb en ik wens, dat we elkaar zullen weerzien in ’t kasteel Soria Maria.”

 

Toen Askaladden wakker werd, merkte hij meteen, dat de prinsessen verdwenen waren. Hij begon zo te huilen en te jammeren, dat zijn ouders geen raad met hem wisten.

Maar eindelijk nam hij een besluit en zei tegen zijn vader en moeder, dat hij op reis ging om zijn bruid te zoeken. Hoe ze ook hun best deden om hem hiervan terug te houden, hij bleef bij zijn voornemen en zei bij het afscheid: „Lieve ouders, reken er maar niet op, dat ik ooit terug zal komen; want als ik mijn lieve prinses niet vind, dan heeft het leven voor mij geen waarde meer.”

Zijn rijkdom bestond nog uit driehonderd daalders. Daarvan gaf hij er honderd aan zijn lieve ouders en met de andere tweehonderd begon hij zijn grote reis.

 

Hij had nog niet lang gelopen, toen hij een man tegenkwam, die een glanzend paard bij de teugel leidde.

Dat paard besloot hij te kopen, maar de man had daar eerst niet veel zin in.

Maar Askaladden praatte net zolang, tot hij het hem eindelijk afstond voor de prijs, die hij er zelf voor had betaald.

„Dat is niet zo heel veel,’ ‘ zei hij, „maar ‘t paard is ook niet meer waard. Om op te rijden is het goed, maar een wagen trekken kan het niet. Je kunt er wel zeker van zijn, dat het jou en je knapzak wel naar de plaats kunt brengen waar je naar toe op weg bent; maar af en toe zal je wel moeten afstijgen en een eindje meelopen, om het arme beest wat te sparen.”

Goed, Askaladden kocht het paard, legde zijn knapzak erop, en liep er zelf af en toe een poosje naast, om het paard niet al te veel te vermoeien.

Tegen de avond kwam hij op een open plek in het bos. In het midden stond een hoge, schaduwrijke boom, en daaronder ging hij zitten. Het paard bond hij niet vast, maar liet het vrij grazen in het malse gras.

Slapen durfde hij niet, uit vrees voor rovers of wilde dieren, en om wakker te blijven nam hij af en toe een stukje brood uit zijn knapzak.

 

De zon was de volgende morgen nog niet op, of hij trok alweer verder — want hij had een gevoel dat hij geen rust kon nemen voordat hij zijn lieve bruid zou hebben teruggevonden.

De hele dag trok hij verder, nu eens een eindje lopend, en dan weer rijdend. Ze gingen door eindeloos grote bossen waar maar geen eind aan scheen te komen. Hier en daar waren open plekken met mooi mals gras, daar rustte hij dan telkens even uit, en liet zijn paard grazen.

Hij wist volstrekt niet waar hij was en ook niet waarheen hij ging, maar hij had het gevoel dat hij op de goede weg was en het was alsof het paard dit ook wel wist. 

Toen er weer eens avond werd en de nacht begon, zag hij tussen de dichte bomen een lichtje blinken.

„Hè,’ ‘ dacht Askaladden, „wat zou ik graag willen dat daar mensen woonden en dat in dat huisje een vuur brandde, waarbij ik mij een beetje zou kunnen warmen!”

Hij liep regelrecht op het lichtje af, en ontdekte uiteindelijk, dat het uit het venstertje van een klein, bouwvallig hutje kwam.

Hij keek naar binnen en zag een paar oude mensen bij ‘t vuur zitten. Ze waren allebei zo wit als duiven — ze moesten wel heel, heel oud zijn! — en de vrouw had zo’n lange neus, dat ze daarmee het vuur oppookte. 

Askaladden deed de deur open en zei vriendelijk: „Goede avond.”

„Ook goede avond,’ ‘ zei de vrouw, „maar wat kom je hier zoeken in deze woestenij? ‘t Is al meer dan honderd jaar geleden, sinds ik voor ‘t laatst een christen heb gezien.’ ‘ „Ik ben op reis naar het kasteel Soria Maria,” antwoordde Askaladden, „en ik zou u heel dankbaar zijn als u mij de weg daarheen kon wijzen.’ ‘

„Nee,’ ‘ zei de oude vrouw, „die weg ken ik niet. Maar kijk, daar komt juist de maan op. Haar zullen we eens vragen of ze de weg weet, want ze schijnt over de hele wereld en moet dat kasteel dus zeker wel eens hebben gezien.’ ‘

En jawel, daar kwam de maan al licht en blinkend, boven de donkere boomtoppen te voorschijn!

Het vrouwtje strompelde naar buiten en riep, zo luid ze kon: „O maan! O maan! Kan jij me de weg naar ’t kasteel Soria Maria wijzen?’ ‘

„’t Spijt me,’ ‘ zei de maan, „maar ik kan ‘t je niet zeggen. Want telkens, als ik die hoek van de wereld beschijn, komt er een donkere wolk opzetten, die mij het uitzicht op het Soria Maria beneemt.’ ‘

Askaladden keek heel bedroefd, maar het vrouwtje monterde hem weer een beetje op. „Wacht nog maar een ogenblikje,” zei ze. „Straks komt de westenwind hier voorbij. Die zal het zeker weten, want hij blaast in alle hoeken en gaten.’ ‘

Nu zag de vrouw het paard, dat Askaladden buiten had laten staan en ze riep uit: „Zo, zo, heb jij een paard? Zeg, je laat dat arme dier toch niet bij de deur staan en honger lijden! Ik heb een grote wei met sappig gras daar kan het mooi zijn buik vol eten, terwijl jij even uitrust. Kom, ik zal je een voorstel doen. Ik heb hier in de hoek een paar laarzen staan, waarmee je stappen van zeven mijlen kunt nemen. Wat zou je er van zeggen als we eens ruilden: jij de zevenmijlslaarzen en ik het paard?’ ‘

Ja, dat vond Askaladden natuurlijk goed! Met die laarzen kon hij immers het kasteel Soria Maria veel eerder bereiken dan met dat zwakke paard!

En het vrouwtje was nog blijder dan hij. „Nu kan ik voortaan  elke zondag weer naar de kerk rijden!’ ‘ riep ze uit, en ze wist niet wat ze doen zou om ‘t Askaladden gemakkelijk te maken.

Kijk eens hier,’ ‘ zei ze, „nu moest je een beetje op deze bank gaan liggen, want een bed hebben we niet voor je. Doe maar gerust een dutje! Ik zal je wel roepen als ik de westenwind zie aankomen.”

Eindelijk daar had je dan de westenwind! Hij suisde zo onstuimig door de lucht dat de boomtakken piepten en kraakten. „O westenwind! O westenwind!’ ‘ riep het vrouwtje zo luid als ze kon: „Weet jij misschien de weg naar ’t kasteel Soria Maria ? Hier is een man, die daar naar toe wil.’ ‘ „Jawel!’ ‘ brulde de westenwind, „zou ik die weg niet kennen? Ik ga er juist naar toe om linnengoed te drogen voor een grote bruiloft, die daar zal worden gehouden. Als die man vlug ter been is, kan hij wel achter mij aanlopen.”

Natuurlijk sliep Askaladden niet, en natuurlijk hoorde hij het antwoord van de westenwind. Daar kwam hij het huisje al uit! „Vlug, vlug,” riep de westenwind hem toe, „je zult hard moeten lopen als je mij bij wilt houden!” En daar stoof hij al weg over bergen en dalen, heidevelden, afgronden, zeeën en stranden! En Askaladden hield hem bij met zijn zevenmijlslaarzen, al had hij ook dikwijls het gevoel alsof hij niet meer kòn. 

Maar als hij dan maar even aan zijn bruid dacht, kreeg hij weer nieuwe moed, en voort ging het weer!
Na een lange reis riep de westenwind hem toe: „Ziezo, hiervandaan kan je het kasteel Soria Maria nu wel zelf vinden. Ik heb geen tijd om je verder de weg te wijzen, want ik moet eerst nog een flink stuk dennenbos omver waaien, voordat ik naar het bleekveld kan gaan om het linnengoed voor de bruid droog te waaien. Kijk, als je deze berghelling volgt, dan kom je vanzelf bij een aantal meisjes, die linnengoed staan te wassen in een brede beek. Vandaar is ‘t niet ver meer naar ’t kasteel Soria Maria.’ ‘

Askaladden liep verder langs de berghelling en ‘t duurde helemaal niet lang of hij was al bij de wasmeisjes.

Die vroegen hem dadelijk of hij de westenwind ook had gezien, want die had hun beloofd het linnengoed van de bruid vlug droog te zullen waaien.

„Ja, ja’ ‘ zei Askaladden, „ik heb hem gezien en gesproken, en hij komt heel gauw. Eerst moet hij nog even een stuk dennenbos omver waaien, en dan komt hij jullie helpen. Maar wie van jullie kan mij de weg wijzen naar ’t kasteel Soria Maria?’ ‘

O, die weg kenden ze allemaal wel. ‘t Was immers vlak bij!

Toen Askaladden eindelijk bij ‘t kasteel kwam, was daar stampvol met mensen en paarden. 
Maar hij was zo bekaf en uitgeput door zijn lange reis over zeeën en bergen, door dalen en bossen, beken en moerassen, dat hij besloot, eerst een paar dagen te rusten voor hij zich aan zijn bruid vertoonde.

 

Eindelijk brak de derde dag van de bruiloft aan en er waren overal gedekte tafels met heerlijk eten neergezet voor de mensen.

Volgens een oud Noors gebruik zou nu de bruid worden „uitgedronken” door de rijen van meisjes, en alle mensen, rijk en arm, die daar waren, ze moesten haar en de bruidegom toedrinken.

De hofschenker ging met de beker rond en kwam eindelijk ook bij Askaladden. Die nam een flinke slok en riep uit: „Ik drink op de gezondheid van de lieve bruid!”
Daarna liet hij de ring, die de prinses hem in zijn slaap aan de vinger had geschoven, voorzichtig in de beker glijden en verzocht de hofschenker, die aan de bruid te brengen.

Meteen herkende de jongste prinses — want zij was de bruid! — de ring, en sprong op van haar zetel aan de feesttafel en riep uit: „Luistert allen, gij bruiloftsgasten, en zegt mij wie het eerste recht heeft om met één van ons drieën te trouwen? Hij, die ons met gevaar van zijn leven heeft verlost, òf hij, die hier als mijn bruidegom naast mij zit?”

Natuurlijk riepen toen alle mensen, die daar waren, tegelijk: „Hij, die u uit de macht van die afschuwelijke trollen heeft verlost!” Toen wachtte Askaladden geen ogenblik langer! Hij ging naar de prinses, en toen ze hem zag, jubelde ze luid: „Ja, ja, dit is de goede! Dit is onze bevrijder! Dit is mijn echte bruidegom!’ ‘
De andere bruidegom had al begrepen, wat er ging gebeuren — en was stilletjes weggeslopen!

Nu zei de prinses tegen Askaladden, dat hij naast haar moest komen zitten, en het hele volk riep „Hoera’.” — En nooit is daar in dat land een vrolijker bruiloft gevierd, dan toen Askaladden en zijn lieve bruid elkaar eindelijk weer hadden gevonden.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *