Er was eens een man, die heette Stan Bolivan. Hij bezat alles wat een man maar wensen kan. Hij had een klein huisje met een tuintje. Hij bezat een kleine boomgaard met mooie vruchtbomen met appels, peren en noten. Hij had een kleine koe die lekkere melk gaf en een lieve kleine vrouw.
Maar één ding was jammer: zijn vrouw zat altijd te huilen. Als ze opstond vroeg in de morgen begon ze te huilen, ze huilde aan het ontbijt, ze huilde de hele morgen en de hele middag en als ze ‘s avonds naar bed ging huilde ze nog. ‘Waarom huil je toch zo?’ vroeg Stan Bolivan. ‘Ach, dat kun jij toch niet begrijpen’, zei de vrouw en huilde verder. ‘Waarom kan ik dat niet begrijpen? Ik houd toch veel van je en dan begrijp je alles!’ zei Stan Bolivan.

‘Nou goed, dan zal ik het je vertellen. Ik huil, omdat we geen kinderen hebben’ zei de vrouw.
‘Ja, dat is heel verdrietig’, zei Stan Bolivan. En hij wilde ook gaan huilen. Maar toen bedacht hij zich. ‘Weet je wat?’ zei hij, ‘ik ga naar de tovenaar.’

En Stan Bolivan vertrok. Het was een heel eind naar de tovenaar. Toen hij daar aankwam zat de tovenaar buiten voor zijn deur. Hij droeg zijn zwarte tovenaarsmantel met zonnen, manen en sterren erop en hij had een grote kristallen bol in zijn hand, waarin hij de hele wereld kon zien. Stan Bolivan ging voor de tovenaar staan en vertelde hem van zijn ellende.

Toen zei de tovenaar: ‘Stan, wil je werkelijk kinderen hebben? Kinderen zijn lastig hoor. En ze eten veel en ze moeten kleren hebben. Je haalt je veel zorgen op je hals.’ ‘Ja’ , zei.Stan Bolivan, ‘ik wil echt kinderen hebben, die zorgen kunnen me niets schelen. ‘ ‘Weet je het zeker?’ vroeg de tovenaar nog eens. ‘Ja, zeker!’ zei Stan Bolivan. ‘Nou, ga dan maar naar huis, de kinderen zijn er al’, zei de tovenaar en verdween naar binnen.

En Stan ging naar huis. Hij was arm en moe, maar vrolijk en gelukkig toen hij bij zijn huisje kwam. Wat hoorde hij daar? Hij hoorde iemand lachen. Dat was zijn vrouwtje. O, wat had hij haar lange tijd niet horen lachen. Maar wat hoorde hij nog meer? Hij hoorde voetjes trappelen Stan had en handjes klappen, hij hoorde praten, lachen, schreeuwen, ruzie maken. Daar was hij bij zijn tuinhekje en wat zag hij?
Kinderen in de boomgaard, kinderen in de tuin, kindergezichtjes voor ieder raam van het huis, kinderen hier en daar.  En midden tussen al die kinderen stond zijn vrouw te schateren van het lachen. De kinderen waren klein en dik, ze hadden brutale gezichtjes en maakten veel herrie en… ze hadden geen kleren aan hun lijf. ‘Hemeltje’, riep Stan, ‘hoeveel zijn het er? Zeker honderd!’ ‘Honderd! En niet eentje te veel’, antwoordde zijn vrouw lachend. En Stan Bolivan en zijn vrouw togen aan het werk. Zij naaide honderd hempjes en honderd broekjes, jurkjes, bloesjes, jasjes. Alle lakens werden verknipt, alle slopen, alle kleren van Stan en alle onderrokken van zijn vrouw.

Maar de kinderen riepen: ‘Mammie, ik heb honger! Pappie, ik heb dorst.’ En ze aten alles op wat er was, het brood, de kaas, de appels, de peren, de noten. Het vrouwtje bakte pannekoeken en het meel raakte op; Stan kocht broden en het geld raakte op, op, op, op!

Toen krabde Stan Bolivan eens achter zijn oor en dacht na. De kinderen hadden gegeten en hadden nog honger; hij had niets gegeten en hij had honger, zijn vrouwtje had nog niets gegeten en had ook honger. Zo ging het niet langer. ‘Vrouw’, zei Stan, ‘ik trek de wijde wereld in om eten te halen.’ En zo trok Stan de wijde wereld in. Hij liep gewoon maar zijn neus achterna.

Tegen de avond kwam hij bij een grote heide. Daar was de schaapskooi en de herder dreef de schapen en lammeren in de kooi voor de nacht.

‘Wacht’, dacht Stan, ‘ik verstop me hier en als het donker is en iedereen slaapt, neem ik een paar lammetjes mee naar huis. Het is wel niet zoals het hoort, maar -Dan ja, die honderd kinderen moeten toch te eten hebben.’
De maan scheen helder, maar er waren ook wat wolken. Stan wilde wachten tot de maan achter de wolken zou zijn. Opeens hoorde hij een vreemd geluid in de lucht en daar kwam een draak aangevlogen, recht op de schaapskooi af. Hij greep een lam in ieder van zijn vier klauwen en met zijn grote bek pakte hij nog twee schapen, toen vloog hij er vandoor.

In de schaapskooi was het een lawaai van belang: alle schapen blaatten en  sprongen van schrik over de omheining, de hond blafte, de herder schreeuwde en Stan rende puffend en hijgend, want hij was nogal dik, rond, om te helpen de schapen in de kooi te drijven. Toen ze weer verzameld waren, gingen de herder en Stan naast elkaar zitten om uit te blazen en te overleggen.

‘Iedere avond is het hetzelfde liedje’, jammerde de herder. ‘Nauwelijks is het donker, of de draak komt en steelt zes schapen. Binnenkort heb ik geen enkel dier meer over. O, wat moet ik doen, wat moet ik doen?’

Stan had stiekem wat brood en kaas van de herder genomen en met een beetje eten in zijn lege maag voelde hij zich tot alles in staat en een moedig plan kwam hem op. -Zeg, herder, wat zou jij mij geven als ik die draak voor jou eens versloeg?’ -Als je dat voor me doet krijg je een derde van al mijn schapen en lammeren.’ -Ja, en een beetje eten tot de draak terugkomt?’ vroeg Stan. -Je kunt zoveel eten krijgen als je maar op kunt’, beloofde de herder.

-Goed zo, dat neem ik aan’, zei Stan. Hij had geen idee hoe hij die draak moest   maar hij was zo dankbaar dat hij weer genoeg te eten had, dat hij zorgeloos de volgende dag doorbracht bij de herder. Pas toen het donker werd  de maan opkwam, kreeg hij een raar gevoel in zijn maag van de angst. Bijna was hij weggelopen naar huis, maar als hij dacht aan al die schreeuwende en jengelende kinderen, bleef hij toch liever op de heide om de draak te verslaan, al was dat ook geen pretje.

Te middernacht kwam weer dat vreemde geluid in de lucht en daar kwam de draak aan, de maan scheen op zijn drakenschubben, op zijn drakenhorens en op zijn stekelige vleugels.
Nu of nooit! dacht Stan. Hij ging rechtop aan de ingang van de schaapskooi staan en riep: ‘Ho daar!’  De draak kletterde op de grond en bleef stomverbaasd naar Stan staren: ‘Wel heb ik ooit van m’n leven! Wie ben jij eigenlijk?’ En Stan zei: ‘Ik ben Stan Bolivan. De grote Stan Bolivan, ik ben een reus en heb mij in een mens omgetoverd. Ik eet rotsen bij dozijnen en draken bij duizenden, lekker op mijn boterham gesmeerd. Als jij het waagt aan deze schapen te komen, dan eet ik je op!’

‘Dan moet je eerst met mij vechten’, zei de draak. Maar zijn stem beefde, want hij was helemaal geen held, die draak, al zag hij er nog zo verschrikkelijk uit. ‘Met jou vechten? Ach draakje, ik dood jou in één adem en smeer je op mijn boterham.

Nu werd de draak echt bang. ‘Nou, goeienavond daar maar’, zei de draak gauw. ‘ Hei, hei, je kunt niet zo maar weggaan. Ik heb met jou nog een appeltje te schillen’ , zei Stan.
‘Waarom?’ vroeg de draak. ‘ Al die schapen, die jij hebt gestolen, behoren aan mij. De man, die daar achter de struiken zit, is bij mij in dienst. Vooruit, betalen, anders zal het slecht met je vergaan. ‘

Maar de draak had geen geld. Hij werd groen en geel van angst. Hij dacht dat hij ieder ogenblik op een boterham van Stan fijngewreven zou worden.  ‘Ik zal jou eens wat zeggen’, zei de draak. ‘Mijn moeder heeft zakken vol geld. Als je met mij mee naar huis wilt gaan en mijn moeder drie dagen een beetje wilt helpen en haar in een goed humeur houden, betaalt ze je zeven zakken met goudstukken per dag.’

Drie dagen met twee draken te leven leek Stan helemaal geen pretje. Maar ja, voor al die hongerige kinderen moet je wat over hebben, dacht hij. ‘Nou, vooruit dan maar’, zei Stan. Hij klom op de rug van de draak en de draak vloog naar huis, naar het drakenhuis. De oude moeder stond al op de uitkijk.

Haar ogen schenen als lampen, en ze zag meteen dat de draak niets bij zich had. ‘Wat! ‘ gilde ze. ‘Geen schapen?’ En ze werd zo woedend dat de vonken uit haar neus spatten.
‘Mijn moeder is een beetje opvliegend’, fluisterde de draak tegen Stan. ‘Blijf jij eerst maar buiten staan, dan zal ik haar wel even alles uitleggen.’ Stan deed dat graag. Hij verlangde er niet naar om dat drakenhuis binnen te  gaan. O, wat was hij graag weggelopen. Maar ja, die honderd hongerige kinderen…

In het huis fluisterde de draak tegen zijn moeder: ‘Ik heb een vreselijke kerel meegebracht. Hij eet rotsen bij dozijnen en draken bij duizenden. We moeten hem op de een of andere manier onschadelijk maken.’ De drakenmoeder lachte, dat het hele huis begon te schudden. ‘Laat dat maar aan mij over!’
Toen liet de draak Stan binnenkomen. Hij werd in een reusachtig bed met veren kussens en veren matrassen gestopt. Hij sliep daar verschrikkelijk slecht.

De volgende morgen aan het ontbijt zei de moeder: ‘Ik wil wel eens zien, wie van jullie tweeën de sterkste is, jij of mijn zoon. Ik heb een grote ijzeren knots. Die mogen jullie gooien. Wie het verste gooit heeft gewonnen.’ De draak stond op, pakte de knots, ging naar buiten, zwaaide hem drie keer boven zijn hoofd en slingerde hem weg, hoog in de lucht; drie mijl verder kwam hij neer. Stan en de draak wandelden erheen. Daar lag de knots half onder de grond.

Al had ik zeven sterke mannen om mij te helpen, dan zou ik die knots nog niet kunnen oplichten, dacht Stan en hij zuchtte. ‘Wat jammer, o wat jammer’, zei hij.
‘Wat is er jammer?’ vroeg de draak. ‘Nou ik dacht zo’, zei Stan langzaam, ‘als ik die mooie knots ga gooien, dan kon hij jou wel eens vermorzelen. Alles wat ik gooi, vliegt tien mijlen ver en komt weer terug in mijn handen. Mijn handen zijn als magneten. Maar alles wat in de weg komt, wordt vermorzeld. Nou, als jouw hoofd in de weg is dan gaat het eraan.’

‘Zeg, zouden we eerst niet iets gaan eten samen. We hoeven helemaal niet zo’n haast te maken met die wedstrijd’, zei de draak, ging naar huis en haalde  massa’s eten. En ze gingen zitten eten tot de maan opkwam. Toen stond Stan op en zei: ‘Zeg, ik kon die knots ook wel even naar de maan gooien. Dan komt hij niet meer terug, dat vind je toch niet erg?’ ‘Nee, nee’, zei de draak. ‘Die knots was van mijn grootvader, ik wil hem niet kwijt raken. Gooi hem alsjeblieft niet.’ ‘Jawel, ik moet hem gooien. Dat was de afspraak.’ ‘Mag ik hem dan voor je gooien?’ vroeg de draak.
‘Mijn moeder zal er niets van merken.’ Maar Stan zei: nee, en bleef nee zeggen, totdat de draak hem zeven zakken goudstukken beloofde als hij mocht gooien. Toen gooide de draak de knots terug naar huis en hij kwam één mijl verder dan het huis terecht. ‘Dat is drie mijl voor jou en vier mijl voor mij. Ik heb gewonnen’, zei Stan triomfantelijk.
‘Ja, jij hebt gewonnen’, zei de draak somber, en hij rende gauw vooruit naar huis en vertelde zijn moeder, dat hij alle moeite had gehad met Stan, omdat hij de knots naar de maan wou gooien.
Zijn moeder werd werkelijk een beetje bang voor Stan.

De volgende morgen zei de moeder dat ze samen water voor haar moesten halen en ze gaf twaalf ossenhuiden om het water in te dragen. Samen gingen ze naar de bron. De draak vulde de twaalf zakken en droeg ze naar huis. Teruggekomen zei hij tegen Stan: ‘Nu is het jouw beurt.’

Stan nam zijn zakmes en begon daarmee in de grond te snijden. ‘Wat doe je daar?’ zei de draak. ‘Ik graaf de bron op, dan kan ik alles ineens naar je huis dragen. Al dat heen en weer geloop met die paar kleine zakjes is maar tijdverknoeierij.’
‘Maar dat kan niet. Mijn grootvader heeft die bron gemaakt. Daar moetje van afblijven. Ik zal het water wel voor je dragen.’ ‘Nee, ik graaf hem uit, hoor!’ zei Stan kalm en bleef met zijn mesje in de aarde snijden.

De draak werd wanhopig en beloofde ten slotte zeven zakken goudstukken, als Stan hem het water zou laten sjouwen. Tegen de avond was de draak moe en boos. Maar Stan kroop lekker in zijn veren bed en dacht: Nog maar één dag en één nacht bij de draken en dan ben ik klaar. Ze worden steeds banger voor mij, die domme draken!

De volgende morgen stuurde de drakenmoeder hen naar het bos om hout te halen voor haar drakenvuur. Samen gingen ze op stap: de draak en Stan Bolivan. De draak trok hele bomen met wortel en al uit de grond of het niets was, en legde ze netjes op hopen.
Stan klom in een boom met een stuk zo’n slingerplant in zijn hand. Boven in de boom bond hij de dunne stengel aan de boomtop, toen klom hij in de volgende boom, en bond dezelfde lange slappe stengel aan die boomtop en zo ging hij van boomtop naar boomtop.

‘Wat voer je toch uit?’ vroeg de draak nieuwsgierig. ‘O, ik bind de bomen eerst aan elkaar, dan kan ik het hele bos tegelijk uit de grond rukken. Dat gaat vlugger.’
‘Zeg, wil je dat wel eens laten! Mijn bloedeigen grootvader heeft dit bos geplant en jij mag dat niet zomaar vernielen!’ sprak de draak. ‘Zo, dacht je soms dat ik met een of twee boompjes heen  voor dat vuur van je moeder? Mij te veel werk hoor’, snoefde Sten Bolivan. ‘Als jij met je handen van ons mooie lieve bos afblijft, zal ik je zeven zakken met goudstukken geven’, beloofde de draak.

Stan vond het best. Hij ging lekker op zijn rug in de zon liggen, terwijl de draak heen en weer vloog met de zware bomen. Stan had maar één grote zorg: Hoe moest hij nu al die zakken met goud thuisbezorgd krijgen. Ze waren veel te zwaar om te dragen. Die avond ging Stan vroeg naar bed. De draal en zijn moeder overlegden samen, hoe ze die gevaarlijke kerel onschadelijkheid konden maken.

‘Als het zo doorgaat, worden we straatarm’, zei de draak. en ‘Vannacht sla je hem dood’, zei zijn moeder.  ‘Ik durf het niet, hij is sterker dan wij!’ zei de draak bang, hij zal mij doden.’
‘Nee’, zei de moederdraak, ‘straks, als hij diep in slaap is, neem je de knots van je overgrootvader en dan sla je hem tot mosterd.’ De draak en zijn moeder bliezen de kaarsen uit en gingen naar bed. ‘Wacht tot je hem hoort snurken’, fluisterde de oude moeder.

Maar Stan had alles gehoord. Toen het stil werd in huis klom hij door het raam naar buiten, haalde de voerbak van de varkens, vulde hem met aarde en stopte hem in zijn bed onder de dekens, zodat het net leek, of hij er lag. Zelf kroop hij onder het bed en begon hard te snurken. De deur ging open en de draak kwam op zijn tenen naar binnen met de knots. Hij gaf een klap op het bed… nee maar geweldig. Stan liet een zacht gekreun horen.

‘Ziezo, die is er geweest’, hoorde hij de draak mompelen. En zachtjes grinnikend liep hij de deur uit en kroop in bed. Even later weerklonk een luid gesnurk. Stan stond op, bracht de trog weer naar het varkenskot en kroop bibberend van schrik en angst in zijn bed.

Toen Stan de volgende morgen opgewekt aan het ontbijt verscheen gaapten de draal en zijn moeder hem aan alsof ze een geest zagen. ‘Lekker geslapen?’ vroeg Stan vrolijk. ‘Ja, ja’, zei de drakenmoeder, ‘we hebben goed geslapen. En jij?’

‘Er was een rat in mijn kamer. Ik greep hem bij zijn staart toen hij over mijn bed liep en smeet hem uit het raam. Ik zal er vannacht geen last van hebben.’ ‘Vannacht? Je gaat toch vandaag naar huis?’ zei de draak. ‘Ach, waarom zou ik naar huis gaan. Ik vind het hier echt gezellig. Kan ik niet nog een poosje blijven? Jullie hebben toch geen last van me?’

‘Last, n-n-n-ee d-d-d-dat n-n-n-niet!’ stotterde de draak. Hij trok zijn moeder mee de kamer uit.
‘Wat moeten we doen?’ sprak hij wanhopig. ‘Hoe krijgen we die kerel eruit?’ ‘Het is jouw schuld!’ zei de drakenmoeder. ‘Jij hebt hem hier binnengehaald!’ ‘Nou wat kon ik doen, hij wou me tot appelmoes knijpen!’

Mopperend begon de drakenmoeder het goud dat zij bezat in zakken te proppen. Meer en meer zakken vulde ze. Toen ging ze terug naar Stan. Met een poeslieve stem zei ze: ‘We zouden het wel gezellig vinden als je nog bleef, maar we zouden zelf net met vakantie gaan, en het komt dus slecht uit. Maar we hebben als cadeautje nog een paar extra zakken goud neergezet.’ En daar stonden voor Stans verbaasde ogen drieëntachtig zakken goud. Peinzend keek Stan naar al dat goud. ‘Ben je niet tevreden?’ vroeg de draak.
‘Eigenlijk is het maar een miserabel klein beetje’, zei Stan. ‘Als ik daar thuis mee aankom, zeggen ze zeker: Zeg Stan wat heb je weinig meegebracht, het is een drakerig klein beetje! En dan lachen ze me uit. Nee ik blijf maar liever hier. ‘ De draak en zijn moeder gaven een gil van ontzetting. ‘Je kunt zeven maal zoveel goud krijgen als je maar weggaat!’ riepen ze angstig.

‘Goed, goed!’ suste Stan. ‘Maar op één voorwaarde.’ ‘Wat je maar wilt, wat je maar wilt, als je maar weggaat!’ riep de draak. ‘Je moet alles voor me thuisbrengen. Stel je voor dat ik eraan kom met al die zakken op mijn rug! Ze zullen me uitlachen. Wat loop je te sjouwen, zullen ze zeggen. ‘ De draak pakte de zakken al op in zijn grote klauwen. Hij laadde ze op zijn rug en liep hijgend weg.

‘Dag mevrouw de drakenmoeder’, zei Stan beleefd. ‘Dank u wel voor de fijne logeerpartij.’
‘Ja het was een gezellige tijd!’, lachte ze zuurzoet. Achter Stans rug smeet ze de deur dicht en draaide hem stevig op slot.

De draak en Stan liep eerst een poosje zwijgend voort. Maar toen ze in de buurt van zijn huis kwamen, zei Stan:  ‘Je moet een beetje oppassen als je bij mij thuis komt. Je moet weten, dat ik honderd kinderen heb, en die eten het allerliefste drakenvlees!’

Net toen Stan eraan kwam, zaten de honderd kinderen aan tafel. Ze hadden wel niets te eten, maar ze zongen liedjes met elkaar, dan had je minder last van de honger.
Daar hoorden ze Stans stem en ze vlogen naar buiten met hun messen en vorken in de handen en gilden: ‘Vadertje Stan, geef ons te eten, we rammelen van de honger. We kunnen wel tien draken achter elkaar opeten.’
‘Hoor je het?’ zei Stan tegen de draak.

Maar de draak hoorde al niets meer. Hij had de zakken met goud neergesmakt en was er vandoor gevlogen zo hard als zijn drakenvleugels hem konden dragen.

 

En Stan, zijn vrolijke vrouwtje en zijn honderd brutale kinderen leefden rijk, gezond en gelukkig en als ze niet gestorven zijn leven ze nog.

een Roemeens sprookje

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *