Er was eens een oude houthakker die weduwnaar was en die met zijn zeven zonen in een hut midden in een groot bos woonde.
Op een dag riep de oude houthakker zijn zonen bij zich en zei tot heb: ‘Beste jongens , tot nu heb ik in het zweet mijn aanschijns gezwoegd om brood voor jullie te verdienen. Nu zijn jullie groot en moeten jullie zelf gaan werken om in je levensonderhoud te voorzien.

Zelf heb ik nog voldoende kracht om niet uit bedelen te hoeven gaan. Wanneer mijn krachten helemaal op zijn, zal ik een bedelzak nemen en zal ik van deur tot deur gaan om brood te vragen , zoals eertijds onze Heer Jezus Christus heeft gedaan.

‘Vader, wij zijn bereid om te vertrekken. Wanneer wij geld verdien zullen hebben komen wij u ervan brengen, zodat gij niet hoeft te bedelen.

’ Trek er dus op uit, en moge Onze Lieve Heer jullie beschermen.
Maar eerst wil ik ieder van jullie iets schenken.’
Toen opende de oude houthakker zijn kist, die een kledingstuk bevatte dat was opgelapt met stukken in alle denkbare kleuren en een beurs met zes goudstukken.
Te beginnen met de oudste gaf hij elk van zijn zonen een goudstuk, zodat er niets voor de jongste overbleef.
De zonen die ieder hun goudstuk hadden ontvangen, namen afscheid van hun vader en vertrekken.
Toen zei de oude houthakker tot de jongste die nog wachtte: ‘Mijn jongen, neem dit opgelapte kledingstuk en wees niet jaloers op je broers. Jij zult de man in alle kleuren zijn.’ Zo gezegd, zo gedaan.

De man in alle kleuren zei zijn vader vaarwel en vertrok. Bij zonsondergang kwam hij bij de zoom van een groot bos en ging aan de voet van een eik zitten om de nacht door te brengen.

De man in alle kleuren begon juist in slaap te vallen, toen hij kreten en gedruis in de takken hoorde. Het was een lijster die radeloos om haar nest fladderde, daar een slang naar boven kwam gekropen om haar jong op te eten.
De man in alle kleuren greep onmiddellijk zijn stok en sloeg de slang in tweeën. Deze slang behoorde tot het soort dat goud bewaakt, dat onder de grond is verborgen. Zijn buik bevatte twaalf goudstukken , elk van tweemaal vierentwintig frank en evenveel Spaanse goudstukken van twee dubloen.
‘ Goed’, zei de man in alle kleuren, ‘de dubbele gouden frankstukken zijn voor mij en de Spaanse gouden dubbele dukaten voor mijn vader. “ Hij legde zich weer ter ruste onder de eik, sliep de gehele nacht en ging bij zonsondergang weer op weg.

Na drie uur te hebben gelopen hield hij stil bij een herberg die aan de weg lag.
Toen hij soep had verorberd en een fles wijn had gedronken, betaalde hij de herbergierster en vroeg haar de weg.
‘ Man in alle kleuren, ‘ antwoordde zij, ‘wanneer je steeds rechtuit verder gaat, zul je over drie dagen in Parijs zijn.
Maar sla je rechtsaf, dan kom je om precies twaalf uur ’s middags in het Land van Honger en Dorst en dan zul je ik weet niet waar terechtkomen.’
De man in alle kleuren sloeg rechtsaf. Precies om   twaalf uur ’s middags kwam hij aan in het Land van Honger en Dorst.

Daar zijn geen rivieren en geen beken, geen putten noch bronnen. De aarde is er droog als een vloer van een oven. Mensen en dieren, groot en klein , kruiden en bomen: alles sterft er, verbrandt en verschroeit door de zon. Drie dagen en drie nachten lang liep de man in alle kleuren voort, zonder te eten  of te drinken.

Toen vond hij uitgestrekt op de grond een dode man, die in zijn rechterhand nog een smeedijzeren staaf omklemd hield van negen centenaar. De man in alle kleuren begroef de dode, bad tot God voor hem, nam de smeedijzeren staaf van negen centenaar en ging weer verder tot de volgende morgen.

Bij zonsopgang had hij het Land van Honger en Dorst achter zich gelaten. Maar voor hem bevond zich een berg recht als een muur, die meer dan honderd vadem hoog oprees. Aan de voet van de berg ontdekte hij een huis waarvan alle deuren en vensters wijd open stonden. Dat was het huis van het Lichaam zonder Ziel, die uitgegaan was om zijn rondgang te maken.
De man in alle kleuren ging naar binnen. Hij nam een groot rond brood dat op de plank lag, ging naar beneden naar de kelder om wijn te tappen en begon te eten en te drinken. Daarna ging hij naar bed, met de smeedijzeren staaf van negen centenaar binnen het bereik van zijn hand en viel in slaap.

Tot middernacht sliep hij. Toen werd hij gewekt door een geweldig kabaal. Het was het Lichaam zonder Ziel, dat terugkwam van zijn rondgang. ‘ Ho, ho, wie heeft zich als heer en meester geïnstalleerd? Wacht maar dief, wacht maar. Ik zal je alle lust dit nog eens te doen wel ontnemen. ‘ Maar de man in alle kleuren was al uit bed gesprongen en had de smeedijzeren staaf van negen centenaar gepakt. Toen ontstond er een hevig gevecht dat drie volle uren duurde. Ten slotte werd het Lichaam zonder Ziel ter aarde geveld door een hevige slag met de staaf op zijn hoofd. 

‘ Man in alle kleuren, laat mij niet nog meer lijden. Nooit zul je mij kunnen doden.
Er staat geschreven dat ik eerst aan het einde van de wereld kan sterven om niet meer uit de dood te herrijzen.
Laat mij niet nog meer lijden, ik zal alles doen wat jij mij opdraagt.’

‘Goed, Lichaam zonder Ziel, toon mij langs welke weg de berg kan worden beklommen . Maar ga recht door zee aan het werk of pas op voor de smeedijzeren staaf van negen centenaar.’ Toen wees het Lichaam zonder Ziel de juiste weg aan de man in alle kleuren, die vervolgens als een geit tussen de hoge zwarte rotsen door klauterde.

Opeens zag hij een wolf zo groot als een stier, die met wijd open muil op hem losstormde. Wat deed de man in alle kleuren toen?

Hij zwaaide met zijn smeedijzeren staaf van negen centenaar en gaf er met alle kracht waarover hij beschikte een hevige slag mee op de kop van het dier, dat dodelijk gewond neerviel.

‘ Man in alle kleuren,’ zei de wolf, ‘je bent niet de eerste die zonder te sterven door het Land van Honger en Dorst heen getrokken is en die de wet heeft gesteld aan het Lichaam zonder Ziel. Van degenen die tot hier gekomen zijn, heb ik er heel wat opgegeten.
Maar weinigen die hier langskwamen hebben hun weg voortgezet en bevinden zich nu op een plek die je weldra zult bereiken.

Nu ik echter door jouw hand sterf, moet je mijn vlees eten en mijn bloed drinken; want je hebt moed nodig en bent nog niet aan het eind van je beproevingen gekomen.
‘ De man in alle kleuren wachtte tot de wolf dood was. Toen at hij zijn vlees en dronk zijn bloed en onmiddellijk voelde hij een grote kracht in zich opkomen.

Na een uur bevond hij zich boven op de berg, die loodrecht neerdaalde, over een diepte van meer dan honderd vadem, in een rivier die een halve mijl breed was. Het water van de rivier maakte een verschrikkelijk geraas en stroomde even snel voort als de wind.

Aan de overzijde van het water ontwaarde men een land zo lieflijk, zo bekoorlijk dat men zou denken dat het ‘t paradijs van Onze Lieve Heer was. Op de top trof de man in alle kleuren een grote schare mensen aan die al hun moed verbruikt hadden om zover te komen.

Sommigen schreiden, terwijl zij met gevouwen handen neerknielden en riepen:
‘O God, o God, maak dat wij aan de overkant komen.
‘ Toen dacht de man in alle kleuren:
‘De goede God helpt hen niet, die Hem alles laten doen. Deze mensen zullen de overkant niet bereiken.’
Anderen beraadslaagden voortdurend, zonder ooit tot een besluit te komen en zeiden:
‘De hoofdzaak is goed te beginnen. Wij moeten ons niet haasten, wij hebben alle tijd.’
Toen dacht de man in alle kleuren: ‘Dat zijn mensen die zullen blijven praten zonder ooit iets te doen, tot de dag des oordeels. Er is een tijd om te praten en er is een tijd om te handelen. Wie niet waagt, die niet wint. Die lieden zullen nooit aan de overkant komen.’
Er waren ook mensen die tot elkaar zeiden:
‘Laten wij allemaal samen naar beneden springen. Laten wij elkaar helpen. Laten wij samen zwemmen, allemaal samen.’
Toen dacht de man in alle kleuren: ‘Dat is een overeenkomst waarbij men alles moet geven, zonder iets te ontvangen.
Die mensen zullen niet aan de overkant komen.’
Ook waren er twee of drie stoutmoedige lieden die de sprong waagden. Maar in plaats van een koers recht voor zich uit aan te houden, wendden zij zich om naar degenen die vanaf de top van de berg toekeken en die riepen: ‘Naar rechts! Naar links! Niet zo! Je bent verloren.
‘ Deze lieden bereikten de overkant niet en het water dekte hen voor altijd toe.

Toen dacht de man in alle kleuren: ‘Nu weet ik wat ik doen moet.’ Hij verborg zich achter een rots, rolde zijn kleren op, die hij op zijn rug bevestigde, sloeg een kruisteken en zei:
‘Vooruit mijn vriend!
Warme ronde platte koek,
Ingewikkeld in een doek,
Volle dubbele litermaat,
spring nu weg,
zo snel het gaat.’

Hij sprong zonder vrees of schroom. Toen hij weer boven water was gekomen, hield hij een koers recht voor zich uit aan, krachtig en vastberaden voortzwemmend, als een vis, zonder achterom te kijken en zonder naar de kreten van de mensen boven op de berg te luisteren. Na een uur kon hij zich op de andere oever van de rivier weer aankleden.

Toen begroette de man in alle kleuren op hoffelijke wijze de mensen die zich aan de andere kant van het water bevonden.
Maar die ontstaken in hevige woede toen zij zagen dat hij de overkant had bereikt. Zij dreigden hem met de vuist en overstelpten hem met beledigingen.
Maar hij lachte er alleen om en ging weer op weg.

Nadat hij een uur had gelopen, ontmoette hij een dwerg met een baard, die niet meer dan twee span hoog was.
‘Man in alle kleuren, je moet mij volgen.’ – ‘Met genoegen, dwerg.’

Zij aan zij gingen zij verder tot zij aan een groot gat kwamen, dat zich tot op grote diepte onder de grond voortzette. Lange, lange tijd daalden zij in het gat af. Maar de dwerg, die achteraan liep, wist het zo in te richten dat nadien niemand meer daarlangs zou kunnen passeren, noch afdalen, noch naar boven gaan. Ten slotte kwamen de man in alle kleuren en de dwerg beneden aan, waar zij een klein lichtje zagen. Dadelijk liepen zij die kant uit. Terwijl zij voortliepen werd het lichtje steeds groter. Eindelijk bevonden zij zich op de drempel van een grote poort, die toegang gaf tot een mooi land, waarin een groot kasteel oprees, omgeven door honderd pachthoeven.

‘Man in alle kleuren, ik schenk je dit grote kasteel en die honderd hoeven eromheen.
Tracht voortaan tevreden onder de grond te leven, want je zult man noch vrouw meer zien.’

De dwerg vertrok en de man in alle kleuren ging aan de deur van het kasteel kloppen. Onmiddellijk opende een hand de deur. Een andere hand leidde hem naar een grote zaal, waar de tafel was gedekt en waar het maal door een twaalftal handen werd opgediend. Maar er was man noch vrouw.
Na de maaltijd bezocht de man in alle kleuren het grote kasteel van de kelder tot de zolder.
Overal zag hij andere handen, die in de keuken werkten, de kamers in orde brachten en allerlei andere dergelijke werkzaamheden verrichtten.
Op de binnenplaats stond een grote ijzeren kooi waarin een adelaar was opgesloten, aan één poot vastgelegd met een ketting.
Handen brachten hem twee keer per dag rauw vlees.

In de stal stonden drie merries, de eerste zo blank als sneeuw, de tweede zo zwart als een raaf
en de derde zo rood als bloed.
Ook deze drie dieren werden door handen verzorgd, die hen roskamden,
hun strooisel gaven en het hun noch aan hooi, noch aan stro, noch aan haver lieten ontbreken.
Maar er was man noch vrouw.

De man in alle kleuren leefde zo lange tijd in het grote kasteel, steeds alleen, en werd dit bestaan wel moe.
Om de tijd door te komen ging hij ‘s morgens en ‘s avonds naar de stal en wanneer hij de drie merries had verzorgd ging hij rauw vlees brengen aan de adelaar in de ijzeren kooi. De vier dieren vatten een zo grote genegenheid voor hun meester op, dat zij zich niet meer wilden laten verzorgen door de handen.

Op een dag begon de adelaar te spreken: ‘Man in alle kleuren, je verveelt je, steeds maar alleen in dit grote kasteel. Denk je dat ik mij vermaak, altijd vastgeketend aan mijn poot in deze ijzeren kooi?
Bevrijd mij. Ik zal opvliegen naar de aarde, door het gat waarlangs jij bent afgedaald, iedere dag zal ik je nieuws van daarboven komen brengen.’
De man in alle kleuren bevrijdde de adelaar en zei tot hem: ‘Adelaar, ga in mijn vaderland berichten inwinnen over mijn vader.
Zeg hem dat ik onder de grond gevangen zit en dat hij mij nooit, nooit meer zal terugzien.’

De adelaar vloog weg en kwam dezelfde avond terug. ‘Man in alle kleuren, ik heb je vader gezien. Hij is oud en kan niet meer werken. Drie van je broers helpen hem zo veel zij kunnen. Maar zij verdienen niet genoeg om hem te voeden nu hij niets meer kan doen. Daarom nam de arme oude man dan ook vaak zijn bedelzak en ging van deur tot deur bedelen om in zijn schamele levensonderhoud te voorzien, zoals eertijds onze Heer Jezus Christus heeft gedaan. Nu heb ik alles goed geregeld en dit zal niet meer gebeuren. Ik weet waar ik mij levensmiddelen kan verschaffen en je vader zal iedere dag de mondvoorraad die hij nodig heeft ontvangen.’ – ‘Heel veel dank, adelaar.’

Sedert die dag waren de man en de adelaar grote vrienden. Iedere dag trok de adelaar erop uit om de taak die hij op zich had genomen te vervullen en iedere avond bracht hij nieuws mee uit de wereld boven de grond.

Op een avond zei hij tegen zijn vriend: ‘Man in alle kleuren, daarboven gebeurt iets, wat waard is om erover te praten.
Er is daar een koning die vier dochters heeft, wonderschoon als het licht van de zon. Een dwerg heeft hem de oudste drie ontstolen en heeft ze ik weet niet waar verborgen. De jongste is bij haar vader gebleven. Maar hoor nu welk bericht de koning vanmorgen met tromgeroffel in alle parochies van zijn land heeft laten afkondigen.
“Ramplanplan, ramplanplan. Alle stoutmoedige en rechtschapen ridders worden er namens de koning van verwittigd dat gedurende de komende maand in de stad Babylon drie grote paardenrennen zullen worden gehouden, elke zondag een. Hij, die driemaal de overwinning behaalt, zal op de zondag daarna met de dochter van de koning trouwen.”
Toen werd de man in alle kleuren bedroefd. Dag en nacht dacht hij na over hetgeen de adelaar hem verteld had.

Op een morgen merkte de merrie die rood was als bloed, dat haar meester schreide.
‘Man in alle kleuren,’ sprak zij, ‘ik weet waarom je schreit, maar ik kan je van de bekommernissen verlossen. Met mij zul je de eerste wedren winnen, want ik ken een bijzondere weg om naar de aarde te gaan. Maar ik kan slechts één keer, heen en terug, van deze weg gebruikmaken en je moet me zweren dat je met mij zult terugkeren.’ – ‘Merrie zo rood als bloed, dat zweer ik je bij mijn ziel.’ – ‘Welnu, laten wij vertrekken.’

De merrie zo rood als bloed vertrok vlugger dan de wind en kwam na een uur aan in de stad Babylon. Het was zondagavond. De vesper was voorbij, de rennen begonnen en er was geen gebrek aan ruiters om elkaar de zege te betwisten. Maar de merrie rood als bloed vloog voort, nog sneller dan de wind, en zij had het eindpunt al bereikt toen de andere paarden nog geen honderd stappen hadden afgelegd. Toen riep het volk: ‘Leve de man in alle kleuren.’ Maar de merrie zo rood als bloed vertrok sneller dan ooit. Een uur later was de man in alle kleuren weer onder de grond, in zijn grote kasteel.
De man in alle kleuren werd opnieuw heel treurig.
Dag en nacht dacht hij na over hetgeen de adelaar hem verteld had.

De volgende zondag merkte de merrie die zo zwart als een raaf was, dat haar meester schreide.
‘Man in alle kleuren ik weet waarom je schreit, maar ik kan je van de bekommernis verlossen. Met mij zul je de tweede wedren winnen, want ik ken een bijzondere weg om naar de aarde te gaan. Maar ik kan slechts één keer, heen en terug, van deze weg gebruik maken en je moet me zweren dat je met mij zult terugkeren.’ – ‘Merrie zo zwart als een raaf, dat zweer ik je bij mijn ziel.’ – ‘Welnu laten wij dan vertrekken!’

De merrie zo zwart als een raaf vertrok sneller dan de wind. Toch kwam zij pas na twee uur in de stad Babylon aan. Het was zondagavond en de vesper was al gezongen. De wedren was een uur geleden al begonnen en er was geen gebrek aan ruiters om elkaar de zege te betwisten. Maar de merrie zo zwart als een raaf vertrok nog sneller dan de merrie zo rood als bloed en zij had het eindpunt bereikt toen de andere paarden nog slechts halverwege waren. Toen riep het volk: ‘Leve de man in alle kleuren!’ Maar de merrie zo zwart als een raaf vertrok weer vlugger dan ooit. Een uur later was de man in alle kleuren teruggekeerd onder de grond, in zijn grote kasteel.
De man in alle kleuren werd opnieuw heel treurig. Dag en nacht dacht hij na over hetgeen de adelaar hem verteld had.

De volgende zondag merkte de merrie die zo wit als sneeuw was, dat haar meester schreide.
‘Man in alle kleuren ik weet waarom je schreit, maar ik kan je van de bekommernis verlossen. Met mij zul je de derde wedren winnen, want ik ken een bijzondere weg om naar de aarde te gaan. Maar ik kan slechts één keer, heen en terug, van deze weg gebruik maken.’
‘Welnu, verlos mij dan van de bekommernis!’ – ‘Dat wil ik niet.’ – ‘Ik smeek je erom.’
De man in alle kleuren smeekte de merrie zo wit als sneeuw net zolang totdat zij ten slotte antwoordde: ‘Goed dan! Maar zweer mij dat je met mij hier zult terugkeren.’ –
‘Merrie zo wit als sneeuw, dat zweer ik je bij mijn ziel.’

De merrie zo wit als sneeuw vertrok vlugger dan de wind. Toch kwam zij eerst na drie uur, en dan nog hinkend, aan in de stad Babylon. Het was zondagavond en de vesper was al gezongen. De paardenrennen was bijna voorbij en er was geen gebrek aan ruiters om elkaar de zege te betwisten. De merrie zo wit als sneeuw vertrok stapvoets en hinkend.

Toen riep het volk: ‘Wat jammer, de man in alle kleuren zal de eindstreep niet halen.’
En de man in alle kleuren was de wanhoop nabij en riep: ‘Loop toch, merrie zo wit als sneeuw.’ –

‘Dat kan ik niet, ik ben kreupel.’
En de man in alle kleuren was vertwijfeld, want drie ruiters hoefden nog maar honderd schreden af te leggen. Toen hinnikte de merrie zo wit als sneeuw en ging er zo snel, zo snel vandoor dat men haar met het oog niet kon volgen. Er was nauwelijks tijd om amen te zeggen of zij had het eindpunt bereikt, vóór alle andere paarden.
Toen riep het volk: ‘Leve de man in alle kleuren.’

Maar de merrie zo wit als sneeuw vertrok vlugger dan ooit.
Een uur later was de man in alle kleuren teruggekeerd onder de grond, in zijn grote kasteel.
De man in alle kleuren werd opnieuw heel treurig. Dag en nacht dacht hij na over hetgeen de adelaar hem verteld had.

De volgende zondag merkte de adelaar dat zijn meester schreide.
‘Man in alle kleuren, ik weet waarom je schreit, maar ik kan je van de bekommernis verlossen. Helaas zijn de drie wegen die de merries gebruikt hebben voor altijd afgesloten. Er blijft alleen het gat over waarlangs jij met de dwerg bent afgedaald.
Ga schrijlings op mijn rug zitten, dan zal ik je vliegend naar boven dragen. Maar dat is geen kleinigheid.
Om tot het einde toe vol te houden, moet ik tijdens de tocht goed gevoed worden. Neem heel veel rauw vlees mee, om mij onderweg te eten te geven.’

De man in alle kleuren ging heel veel rauw vlees halen en klom op de rug van de adelaar, die wegvloog. ‘Vooruit maar adelaar!’ En de adelaar vloog krachtig rechtuit. Ieder ogenblik riep hij: ‘Rauw vlees! Rauw vlees!’ En de man in alle kleuren gaf hem te eten, terwijl hij steeds riep: ‘Vooruit, adelaar!’
Honderd vadem onder de grond begon het voedsel op te raken. ‘Rauw vlees! Rauw vlees!’ Toen nam de man in alle kleuren een mes, sneed een stuk uit zijn dij, gaf dit de adelaar te eten en liet hem zijn nog warme bloed drinken.
Vijf minuten later kwamen zij beiden in de stad Babylon aan.
Het was acht uur ‘s morgens. Iedereen had zijn zondagse kleren aan. In alle kerken luidden de klokken uit alle macht voor het huwelijk van de dochter van de koning.

‘Man in alle kleuren,’ zei de koning van Babylon, ‘je krijgt mijn dochter niet voordat je mij haar zusters teruggebracht hebt.’ Toen zei de adelaar: ‘Wacht hier op mij.’
De adelaar vloog weg en kwam een uur later terug terwijl hij aan zijn haren de baardige dwerg van nog geen twee span hoog meedroeg.
De dwerg stampte met zijn hiel op de grond. Onmiddellijk verschenen de drie merries: één zo wit als sneeuw, de andere zo zwart als een raaf en de derde zo rood als bloed.
De drie merries waren de oudste drie dochters van de koning van Babylon, die de dwerg in dieren had veranderd om ze zo beter te kunnen verbergen.
Terstond namen zij hun vroegere gedaante weer aan.

‘Man in alle kleuren,’ zei de koning van Babylon, ‘ik kan je niets meer weigeren.’ Toen werd het huwelijk voltrokken, een huwelijk waarvan men de weerga nog nooit heeft gezien en nooit meer zal zien. De man in alle kleuren liet zijn vader halen. Ook liet hij de drie broers komen die de arme man bijgestaan hadden en elk van hen trouwde met een van de prinsessen.

Aan het einde van de bruiloft, die een hele maand duurde, zei de adelaar: ‘Man in alle kleuren, ik dien je al een lange tijd. Toch heb je mij nog niet beloond.’

‘Adelaar, vraag wat je wilt.’ – ‘Man in alle kleuren, geef mij de hoogste toren van Babylon om er mijn nest op te bouwen en geef mij ook de baardige dwerg die nog geen twee span hoog is.’ –

‘Adelaar, dat is billijk. Neem wat je nodig hebt.’
Toen nam de adelaar de baardige dwerg van nog geen twee span hoog mee naar de hoogste toren van Babylon. Daar pikte hij hem de ogen uit en knaagde hem tot op het bot af.

 

 

Het sprookje de Man in alle kleuren staat in de gelijknamige bundel van Alice Woutersen en is nog tweedehands te verkrijgen.

 

 

Wil je het werk van de stichting de Levensboom ondersteunen?
Wij ontvangen graag je schenking via een Tikki

Hartelijke dank!

 

 

* Geld overmaken via een Tiki gaat zo:
neem je telefoon, open het scherm, je camera openen en richt de lens op de QR code, tik op koppeling maken,
tik op bevestigen, kies je bank en tik op het logo van je bank, een bedrag invullen en bevestigen.

 

 

één centenaar is 100 kilogram
Honderd vadem is ongeveer 182,9 meterDe span: dit is de afstand tussen de top van je duim en de top van je pink bij een uitgestrekte hand ongeveer 22 cm. Twee span = dus ca 44 – 50 cm

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *